Groen en niets te doen

De wandeling begint bij de voordeur. Mijn grote meiden hebben hun nieuwe winterjassen aangedaan en de zon doet zijn dag eer aan. Aangezien wandelen saai is, gaan zij met de fiets. Ze laveren vrolijk rond mij en de wandelwagen, de oudste rijdt en de middelste lift mee. Ze rijden vooruit of een extra rondje. Ik kom ze tegen in bomen en dansend op de weg.

In het bos kan de kap van de wandelwagen omlaag, mijn kleinste meisje vindt de bomen zo mooi als ik haar.

We zien een buurvrouw het perfecte plaatje schieten, dichtbij de grond ontwaart ze de schoonheid van een oranje paddenstoel. Er lopen families voorbij, ze maken grapjes of anders stemt het samenzijn ze wel vrolijk. Ik word ingehaald door de toekomst. Mijn grote meiden wachten na het bruggetje bij het bankje, roepen ze. Ik vind het goed; de weg hobbelt, mijn hoofd is leeg en mijn hart vol. We zijn buiten en iedereen is tevreden. Voor mij uit fietsen twee meisjes luchtig op en neer en voor mij ligt een meisje naar de lucht te staren.

Voor het bruggetje check ik of de verzamelde waren onderin de wagen goed liggen, ik wens ze niet te doneren aan het kabbelende water. Er heeft zich een hoop in het mandje opgehoopt; de jas van de oudste bleek na inspanning te warm, er liggen luiers in een zak omdat we in het dorp de container zullen passeren en mijn lange, roze sjaal omlijst het tafereel.

Het bankje na het bruggetje lijkt een felbegeerde plek in een geslaagd restaurant, een man neemt inhalig plaats terwijl een vertrekkend echtpaar opstaat. Er loopt een vrouw met een wandelstok aan hem voorbij, ze was net iets minder snel dan hij. Ik vraag me af of hij toch op zal staan, hij niet.

Wij waren niet voornemens te willen gaan zitten, of tenminste nu nog niet. Pas na het bospad richting het dorp, waar de middelste haar been eens onfortuinlijk brak, vinden we het tijd voor warme choco en gebak. Ook hier zijn de plaatsen populair, maar de leestafel biedt mogelijkheden. "Dit is de lekkerste arretjescake ooit", zeggen ze smullend. Ik heb een baby op schoot en kijk naar twee dames met chocolade in hun mondhoeken.

Het gebeurt gewoon om de hoek, bedenk ik me dan. Dit is mijn eten, bidden, beminnen. Hier kom ik bij mijn zinnen. Dit is mijn reis, van huis en ernaar toe. In een zonnige tocht langs groen en niets te doen. Hier loopt de hele wereld, van zacht gedag tot hard gelach. Met als kers op de taart een plakje arretjescake en het uitzicht op mijn eigen zoetjes.

We wringen ons door de drukte weer naar buiten, naast onze tafel staat een glunderend paar netjes te wachten tot ons dat gelukt is. De oudsten fietsen voor me uit en wij slaan linksaf naar huis. Alles is goed, denk ik terwijl ik tevreden achter ze aan sjok. Want daar zit op een houten bankje de vrouw met de wandelstok.

Meer berichten