Foto: Nick Oostendorp

Column Eva Schuurman - Bloeiers

Bloeiers

Buiten klettert de regen alsof ze de opgespaarde droogte in één bui wegvagen wil, binnen trek ik mijn lange vest aan en dan weer uit. Besluiteloos warm of koud. Boven klinken de voetstappen van grote zussen die onder dekens kruipen terwijl de zon nog ergens achter grijze wolken schijnt. En naast me lig jij, op een speelkleed zo fleurig als je glimlach. Natuurlijk vindt mama het jammer dat we niet in droogte een ommetje maken kunnen en jij dan met grote ogen naar de vallende bladeren staart, maar eigenlijk maakt het weertype niets uit.

Gisterenavond liep ik nog met je door winderige donkerte omdat je even niet meer wist hoe dat ook alweer ging; slapen. De straten van nature schoongeveegd, vrij van blad en mensen. Bij elke lantaarn kon ik zien of het je al lukte en overal zag ik binnen kaarsjes en televisies aan. Te weten dat jij warm lag en het vast na de volgende bocht op zou geven maakte me rustiger nog dan het straatbeeld. Ik vond het helemaal niet erg dat ik nu alweer mijn winterjas aanhad.

Toen je geboren werd was er nog volop zon, en niet alleen in de kamer. Vanuit een niets en alles hebben papa en mama meteen de zomerbloeiers laten verpieteren; wat voor jouw komst nog van belang leek en in orde zijn moest, verbleekte toen je er eenmaal was. Net als het gras, eerst bij geschoffeld en ingezaaid en daarna niet meer naar omgekeken. Met zesendertig weken vond mama het nog nodig halsoverkop naar de grootste tuinwinkel te gaan omdat de potjes naast de achterdeur anders leeg zouden staan. Bukken was niet handig meer, maar toch moesten ze vol. En in de voortuin ligt nu al weken een hondendrol.

Oh, ik begrijp best dat de buurthonden zich vergissen; die paar vierkante meter gras gaan moeiteloos door voor gemeentegrond. Toch denk ik dat hun baasjes wel weten dat het onze voortuin incognito is. Gelukkig is het groen inmiddels zo hoog dat de drol als vanzelf lijkt te verdwijnen.

De regen stroomt door, jij trappelt ongecontroleerd tegen een knisperend flapje op je kleed en je handjes zoeken naar houvast. Ik hoop trouwens altijd dat een fikse bui de auto weer eens laat blinken en denk ondanks de staat van onze eenjarige zomerbloeiers nog steeds 'goed voor de tuin'. Als ik weer naar je kijk heb je je rechteroor ferm vast, ik peuter je vingertjes los en ruil je oor voor mijn pink om.

En terwijl jij je tevreden aan mij vastklampt kijk ik door de druppels heen de tuin weer in. En daar ontwaar ik achterin, aan ons provisorisch hekje vast, twee rieten bloembakken met stralende bloeiers. Dappere viooltjes die na de droogte gewoon opnieuw begonnen te spelen en zo roze opbloeiden als jouw wangetjes bij warmte. Ze zijn zo sterk als jouw handjes en veinzen zelfs in herfstbuien nog de zomer. Alsof ze zonnig zeggen willen: "Blijven jullie maar lekker binnen. Rust uit, kom bij, knuffel en herstel; wij redden ons hier wel."


Meer berichten