Skitalent

Op de voorzijde van zijn muts prijkt de naam van een Oostenrijks skioord, het doet vermoeden dat hij net van de wintersport komt. Blijkt niet het geval. Deze muts is van vorig jaar, zo vertelt de oud-collega die ik tref in de supermarkt waar we allebei jarenlang werkten. Dit jaar gaat hij weer, zelfde land, andere plek. Of hij goed kan skiën? Het antwoord vat ik samen als ‘best aardig’, maar hij moet toegeven dat hij meer talent heeft voor de après-ski, geen onbelangrijk onderdeel van de gemiddelde wintersportvakantie. 

Of ik weleens geskied heb? De vraag waardeer ik, maar het antwoord kan hij waarschijnlijk al raden. Niets in mijn voorkomen doet vermoeden dat ik een held ben op de piste. Mijn motoriek laat wat te wensen over, ik heb nogal hoogtevrees en waar de nodige waaghalzerij gevraagd wordt, sla ik liever even over. Bij de wintersport, dan denk ik toch het eerst aan één van mijn kameraden, die tegenwoordig meerdere keren per jaar richting de sneeuw gaat, die als kind al winter na winter op de ski’s te vinden was. 

Hij had er talent voor, zo hoorde hij in Oostenrijk. Zou hij daar zijn opgegroeid, dan had hij ver kunnen komen in deze sport. Hij was sowieso goed met gladdigheid. Waar het bij mij op de fiets naar school in Doetinchem in de winter voorzichtigheid troef was, zoefde deze man over de wegen. Hoe verraderlijker het wegdek, hoe meer schik hij erin had. Als het mis ging, ging het nooit écht mis. ‘Ik ben niet gevallen, alleen mijn fiets’, zei hij dan. Dat was altijd waar, hij stond er keer op keer naast. Een soort skitalent op laaglandniveau.

Het talent ontplooide zich nooit in wedstrijdverband. Toch zag ik – in die jaren trouw volger van de sport, Hermann Maier was een grootheid – het al helemaal voor me. Olympische Winterspelen, wij erheen, de naam van onze vriend op een spandoek. Podium, hoogste trede, gouden medaille, want winnen zou hij. Ik sluit niet uit dat ik bij het Wilhelmus een traantje had gelaten. Een winnaar in ons midden, in de sneeuw, het zou onbeschrijfelijk mooi zijn geweest.

Later leerde ik dat de wintersport draait om veel meer dan dat. Dat het voor het gros van de skiërs zelfs totaal irrelevant is hoe lang ze over een afdaling doen. Zo’n vakantie draait om het onmetelijke gevoel van vrijheid, om de uitzichten op besneeuwde bergtoppen afgetekend tegen een strakblauwe lucht, om vriendschappen en proostmomenten, om de allerlekkerste Kaiserschmarrn in het zonnetje. 

Het lijkt me werkelijk fantastisch, maar toch: laat mij maar lekker op zeeniveau. Ik houd het liever bij een wandeling of een fietstocht op nagenoeg vlak terrein. Ieder zijn talent, zullen we maar zeggen. De kans dat ik ooit op een piste zal staan, acht ik nihil. Alhoewel: wat is er nog zeker in deze veranderende wereld? Het schijnt dat je in Amerika ook prachtig kunt skiën. Vrees dat ze er de beste mutsen hebben.