Tijdloos

Het was tijdens een uitzending van De Wereld Draait Door dat ik ze zag. Van buiten gedateerd, van binnen bij de tijd. Als rozijntjes die nog druiven waren. Kalverend verliefd en de dagen vullend met verhalen over wat ze zonder elkaar meemaakten. De tijd voor elkaar nemend voordat ze uit de tijd zouden raken. Zoveel meer verleden dan toekomst restte hen nog, en toch. Allerminst melancholisch of teleurgesteld, maar dankbaar en jeugdig in eindeloos converseren. Geen verschil was er, zeiden ze, tussen verliefd worden op je vijftiende of je tachtigste.

Ze vertelden me dat ze nadertijd door een groep jongemannen werden aangesproken. Het was zo’n groepje waarvan zij niet dachten het enigszins te kunnen boeien, maar de jongens herkenden ze en vertelden zo te hebben genoten van hun verhaal. Zoals ook ik genoot. Het schokte me te lezen dat zij hem vorige week zomaar verloor, op een wijze waarop een schrijver hoort te gaan; met het hoofd op de toetsen in een verhaal over zijn ontmoeting met het einde. Het was alsof ik niet over een voltooid leven las, want ik had in hun verbinding slechts een begin gezien.

Terwijl ik ze afgelopen voorjaar sprak, hield bij ons thuis de klok op met slaan. Mijn middelste dochter kwam terug van school en vroeg wat ik met de tijd had gedaan. Dat vond ik een treffende vraag, want met hun tijdloze liefde was ie hier letterlijk stil komen te staan.

Al de hele week vulden ze mijn hoofd, tot ik op donderdagavond aan de rand van een zwembad stond. Uitkijkend op stralende ogen en zwoegende armen leegde ik daar wat mijn randen overstroomde. In een choreografie door mijzelf bedacht en voor wie vaak niet meer gemakkelijk wandelt of fietst. Tussendoor maakte ik grapjes en wiste het werkzweet weg met zo’n handdoek die niet meer tussen de rest past.

Vlak voor we deze week begonnen had ik een fijn praatje met een mevrouw met zilveren haren en ogen die pret uitstralen. Ze keek naar me op vanuit het zwembad en vroeg wat ik vandaag had gedaan, ik zei dat ik een speech schreef voor wie ging trouwen volgende week. Dat vond ze mooi. Toen zij weer droog was en ik nog natter, zei ze: “Als ik weer verliefd word, kom ik bij jou. Maar nu nog niet, het is nog maar pas geleden dat mijn man overleed.”

Haar ogen straalden nog steeds en de mijne werden nat, dat paste prima bij de rest van mijn lijf. Ik dacht aan A.L Snijders en Ineke Maria Swanevelt, aan dat het nooit te laat is als je nog tijd hebt. En daarna zei ik, terwijl zij hoopvol lachte: “Ik zal op u wachten.”

Meer berichten
 

Dagelijks het laatste nieuws in je mailbox ontvangen?

Aanmelden