Beter

Het lijkt haast wel of de wereld weer iets gaat draaien, of althans iets sneller dan voorheen. Buiten verzamelen buurtgenoten zich rondom een boom. Niet vanuit magnetische natuurkrachten ofzo, maar omdat een hoogwerker er omheen danst als ware de boom zijn gelijke. De man in het bakje draagt een hoofddeksel-hor, hij zaagt en bedient het apparaat. Zijn omstanders raken aan de praat, over hoe het ging- en gaat. Ze staan netjes van elkaar af en de zon vult de ontstane leegtes op.

Ik sta voor de deur en een buurvrouw met een hondje loopt voorbij, we hebben niet veel te delen maar delen wel het gevoel van nog niet per se mee te hoeven doen. We kijken even toe en dan ga ik naar binnen en zij door. Voor het raam kijkt ons kind naar hoe het de kalende boom vergaat, er is niet vaak zoveel te doen in de straat. Ik schuif naast haar in onze brede vensterbank, kus haar bolletje en denk aan hoe ik het knuffelen niet heb hoeven missen.

De boom verliest gecontroleerd een tak en ik ben binnen pas echt op mijn gemak. Want het voelt gek bijna weer dichtbij anderen te mogen gaan staan, een beetje zoals je je vroeger niet kon voorstellen echt naar het pretpark toe te zullen gaan. Hoe het pas tot je doordrong wanneer je de poort passeerde; dat het echt te gebeuren stond. Voorlopig kan ik mijn tickets nog niet vinden. Het zijn vouchers geworden, denk ik.

Deze week kwam mijn agenda vanuit het niets weer op gang, een jaar lang vulde ik de dagen met thuiswerkzaamheden. Maakte paniek plaats voor berusting, en andersom. En nu bonkt mijn hoofd van een doorlopende reeks buitenwereldgebeurtenissen in een doorlopend ritme. Maar vanavond heb ik niets, behalve hoofdpijn. Onze dochter is inmiddels één jaar en negen maanden jong, en moe. Ik zet haar neer op de voorleesstoel in haar kamer. Op het zachte kleed voor de fauteuil ga ik voor haar op mijn knieën, wanneer ik haar een pyjama wil aantrekken maakt ze zich lang; zij wil dit niet, en ik wel. Ik zet haar recht en zeg: “Mama heeft pijn in haar hoofd, wil je een beetje meehelpen?”

Ze kijkt me met grote ogen aan en gaat in de stoel staan, legt een wijsvinger op mijn voorhoofd en zegt: “Koppie.” Dan grijpt ze met haar schrapende kindernagels iets van het gele zitvlak af; het lijkt niets, maar voor haar is het iets. Ze houdt het in haar knuistjes en brengt het naar mijn voorhoofd, steeds opnieuw; bukken, schrapen, drukken. Mijn mond valt open, minutenlang verzorgt ze me met haar beste medicijn. Daarna duwt ze een natte kus op mijn ‘koppie’ en zegt: “Zo isse beter”, en dat klopt.

Meer berichten
 

Dagelijks het laatste nieuws in je mailbox ontvangen?

Aanmelden