Zand

Nog voor het hele land wist dit jaar in eigen land op vakantie te moeten boekten wij toevallig een midweek naar de kust, winterlijk dromend van voeten in het zand. Toen van de week op dag drie de zon zodanig doorbrak kwam onze droom uit. We huurden een bolderkar en zetten onze parasol en onze baby op vier rupsbanden en een houten plank. Ik vergat op de heen- en terugweg dat mijn hemd met sportief model niet aan bedekte schouderbladen deed en iedereen die ons fietsend voorbijkwam was sneller dan wij. Alsof locals pakten wij - in tegenstelling tot de rest - het andere pad richting zee en beseften halverwege waarom niemand anders dat deed. Via een begroeide duin maakten wij onze eigen strandopgang.

Mijn oudste vertelde eens dat je dat olifantenpaadjes noemt, die weggetjes die niet officieel zijn maar wel begaanbaar. Ik vond dat mooi en wij trapten met ons gewicht het begin van zo’n paadje. Goed, het was niet ideaal en ook best een uitdaging voor onze kar maar we zaten er daarna zo ongerept als kinderogen bij op zand zo zacht als babybilletjes. Gelukkig kwamen we om in bananen en peuterliga’s want een strandtent was in geen velden of wegen te bekennen. De zee daarentegen was in groten getale aanwezig en zo aanlokkelijk als de ijsjes die we niet konden eten.

Zonder angst kroop ze op het water af, zette zich op haar knietjes en opende haar armpjes. Alsof de hele wereld ertussen zou passen, omdat ze nog helemaal niet weet wat ze niet omarmen wil. Er kwam een oudere dame voorbij, in onze spetterende dochter zag zij haar kroost terug. “Goed zo”, sprak ze. “Zo hebben wij het ook gedaan, ze zijn nooit een moment bang geweest voor water.” We deden het niet eens bewust, tijdens onze gang van duinpan naar zee lachte ze al verrukt om wie zich onderdompelde in geluk.

Terug op de handdoek stak ze een natte vinger in het zachte zand, zei “bah” en stopte ‘m toen in haar mond; het strandleven smaakt naar meer. Daarna maakte ze muziek met haar schepje op de stang van de parasol, at een banaan en een liga, probeerde een klein half uur de zeef op haar emmer te plaatsen en zong een lied dat zowel Chinees als Italiaans aandeed. Het was prachtig en ik vergat er terstond mijn benen van in te smeren.

En nu zijn we weer thuis. Ik lig tevreden moe op mijn pijnlijk, vuurrode schouderbladen en tolereer geen laken op mijn onderbenen. Ietwat gestuurd door leed denk ik terug aan ons vermaak. De wasmachine draait en het stof is van mijn laptop afgewaaid, maar in gedachten open ik mijn armen om de wereld weer toe te laten. Omdat een weekje niets maakt dat alles er weer tussen past.

Meer berichten
 

Dagelijks het laatste nieuws in je mailbox ontvangen?

Aanmelden