Uut 't Wald | Grinte

Grinte

Zeker nu net de laatste hand wordt gelegd aan de N18 kun je het je haast niet meer voorstellen. Maar zo'n tweehonderd jaar geleden kende de Achterhoek alleen nog maar zandwegen. Zelfs de Hessenweg, een belangrijke handelsroute die dwars door onze contreien liep, was onverhard. Pas rond 1850 kwamen de eerste verharde wegen.
Zo'n harde weg werd in het Achterhoeks doorgaans straote of straotweg genoemd. Tenminste als de verharding uit klinkers bestond. Was er grint gebruikt, dan sprak men over een grinte of grintweg. Diezelfde benaming werd trouwens ook wel gebruikt voor wegen met een nog weer andere verharding, zoals basalt, sintels, teer, macadam of beton. Maar vaak had men het ook wel gewoon over een hadde weg of nog korter: den harden.
Soms had een met grint verharde weg een speciaal middengedeelte, dat de steenweg werd genoemd. Omdat op deze strook klinkers lagen. Het was de bedoeling, dat voerlui hun paarden over deze middenstrook lieten lopen. Zo werd voorkomen dat de hoefijzers de grintverharding kapot maakten. De middenstrook werd dan ook wel peerdepad genoemd.
De meest voorkomende benaming voor een onverharde weg is zandweg. Maar ook de termen veldweg en grune straot (ook wel greune weg) kun je hier en daar nog horen. En vaak wordt een zandweg ook vaarweg of veurweg genoemd. Vooral als er een fietspad langs loopt. De vaarweg is dan het gedeelte waar de karren en wagens rijden. En tegenwoordig natuurlijk ook auto's. Vaak tot ergernis van de fietsers, die dan zand moeten happen.

Meer berichten